Alles is oorlog. Tot de mensen in de straat toe. Gisteren parkeerde ik de wagen in een straat verderop van waar ik woon. Aangezien meer en meer kredietkoppels in 4×4 wagens rondrijden en zich uit pure onkunde parkeren op een plek waar normaal twee auto’s kunnen staan, is er in mijn eigen straat zo goed als nooit plek. Toen ik goed en wel in de gevonden plaats stond, stopte er een andere auto bruusk naast me en toeterde. Een vrouw van ongeveer vijftig, tuttebelbrilmontuur, scheve permanent en een zuignap-mond, keek me boos aan en schoof haar raam naar beneden.
‘Kan je niet dichter bij die andere auto gaan staan? Je neemt te veel plaats in!’ Ze leek duidelijk over haar toeren door haar harde dag werken die ze achter de rug had, want op de achterbank stonden wel vijf draagtassen van allerlei kledingsmerken.
‘Dat kan ik inderdaad, maar dan zit die dikke auto achter mij wel in de problemen, en die neemt ook al twee plaatsten voor zich.’
‘Ja en dan moet gij dat ook doen of wat?’, zei ze. Die “of wat” is wel grappig, dat hebben de lokale inboorlingen van deze prutsgemeente overgenomen van de door heen meestal zo verafschuwde migranten. Al spreken die het iets anders uit met een wà op het einde van de zin.
Ik ging verder. ‘Nee, u begrijpt het niet, ik kan in mijn straat door diezelfde mensen niet meer parkeren, daarom ga ik hier staan. Maar omdat ze steeds tegen mijn auto oprijden omdat ze niet kunnen kijken of rekening houden met een aander, neem ik nu zelf ook ruim afstand al ik achter of voor zulke auto’s sta’. Ik wees naa de BMW 4×4 die de plaats achter mij innam, schuin geparkeerde, ruim twee plaatsen innemend en een halve meter van de stoep af.
Ze reed door en nam de parkingplek voor mijn wagen in, zich zo dicht mogenlijk tegen mijn auto aangedrukt. Eens uitgestapt vergat ze zelfs haar boodschappen uit te laden en begon ze opnieuw. ‘Als iedereen zo gaat doen is er hier achtereen helemaal geen plaats nimeer!’
‘Ah, inderdaad mevrouw, dat klopt, maar ik rijd met een klein autootje, dus ik zal al zeker meer kans hebben om toch nog te kunnen parkeren dan.’ Ik begon ook “u” te zeggen, want zoals je weet betekend dat ‘trut’ in Antwerpen. ‘Als u wil klagen, ga dan naar die mensen die een te grote auto kopen en er niet mee kunnen parkeren, die zijn er mee begonnne hier.’
Ze ging naar binnen, niet goed wetende wat te zeggen.
Een kwartiertje later ben ik toch nog weg gemoeten met de wagen. Toen ik vertrok keek ik naar de vrijgekomen plek. Een gigantische parkeerplaats, waar je nauwelijks nog bij kon, en waar haar auto in het midden prijkte. Ik glimlachte en reed door.
Oorspronkelijk had ik er niet eens bij nagedacht. Die trheorie kwam in me op, puur om het mens op stang te jagen, want in feite parkeer ik altijd normaal. Enkel gisteren wilde ik niet al te dicht bij de auto achter me staan aangezien het duidelijk iemand was met rijproblemen. Maar who carse? Ik hoop in ieder gaval dat het mens in kwestie er zich lekker druk heeft over gemaakt.
Alles is oorlog eigenlijk, voor elke morzel grond, punten, geld, aanzien, eten, plaats en tijd is er wel een of andere achtergrondstrijd bezig.

Gepubliceerd door

kim

twitter.com/kim0raku