Ik blog, al lang. Ik had een livejournal, een 365 live (of wat was dat microsoft spul ook alweer), twee blogspot accounts, een medium en een eigen website op wordpress… en ik schrijf daar al jaren stukjes, verhalen, en opinies.

Over mijn periode werkloosheid, mijn frustraties van op mijn toenmalige job, technische reviews, politiek, kortverhalen, tot zelfs de kwaliteitskeuring van de lokale supermarkten toe.

Schrijven doe ik vaak, veelvuldig en vooral om mezelf een uitlaatklep te geven. Dingen van je afschrijven is nu eenmaal iets dat sommige mensen helpt. Ik heb er dan ook mijn plezier aan beleefd.

Ik zie ook vele andere mensen dit doen. Over hun katten, hun liefdesleven, de maaltijden die ze fotograferen en bespreken, een foto van hun werderhelft op de zetel of in een tent in een ver land, met daarbij telkens een mooie opsomming van hun dag en het hoe en waarom van de desbetreffende blogpost.

En geen kat leest het allemaal. Wie wil er nog schrijven als niemand iets leest?

De realiteit is, dat de titel en misschien de twee zinnen die er op volgen nog gelezen worden, en men dan wegklikt.

Naar het volgende item, de Instagram post van een meisje met een millennial froufrou die aan een ijsje likt, het model die haar nieuwe yogabroek showt (face down, ass up…) of een DJ die met z’n handen in de lucht aan’t lachen is tijdens het uitvoeren van z’n job.

Wat je schrijf verdwijnt in een soort van zwarte brei, waar alle schrijfsels van verveelde huismoeders, gesponsorde aandachtshoeren, extremisten, politieke klojo’s en bekende Vlamingen met hun nieuwste merchandise ook in verdwijnen. Samen met de serieuze stukken over technologische vooruitgang of belangrijke wetenschappelijke ontwikkelingen of onderzoeksjournalistiek.

Daar in de zwarte brei die het allemaal wordt, roert af en toe iemand in de pot en vist er een kleine hap uit met een verrotte pollepel, om even te proeven, er een nip van te nemen.

Meestal met het doel de smaak te bekritiseren of de hele pot te verwijten dat hij zwart ziet. 
En dan vooral niet te lang, niet te veel, alles langer dan 400 woorden is onleesbaar, alles dat niet geschreven is in korte roepzinnen is niet meer te bevatten, alles met bijzinnen, die vaak onnodig er tussen worden gelapt om enige gedachtenkronkels een beetje ruimte te geven, zoals bij mij soms gebeurt wanneer ik even in bijzin-mudus ga, en vervolgens ook de spuigaten uit kunnen beginnen lopen, is een maat voor niets.

Men snapt het anders niet, het is te tijdrovend. 
Niet snappy genoeg. Knip, knip in de vingers, alles moet er zijn. Voor mij, mij, mij, gratis, makkelijk en nu. En vooral moet ik het kunnen stelen, meenemen en als eigen maaksels kunnen laten doorgaan. Da’s de houding zo’n beetje.
Want we moeten nog shoppen, naar de kapper en zo veel andere belangrijke dingen doen die er ook niet toe doen,…

Ik lees zelf veel. Maar ik zie soms mijn eigen stukken terug opduiken, waar dan een of andere “beroemde” twitteraar (als dat al bestaat) een stuk heeft uitgenomen en herkauwd in zijn/haar/x stijl. De stijl die dan ‘beter in de smaak’ valt, of die gericht is op het kleine doelpubliek van de ads die er naast of boven staan te blinken. 
En ja, ik had dat ook zo kunnen schrijven, ik kan die fluffy luchtbelstijl perfect imiteren. Maar ik ben dan niet meer aan’t schrijven maar acteren. De spiegel zou me uitlachen in mijn gezicht, moest ik dit doen. Want ik schrijf zo niet, ik ben zo niet. Het hoeft ook niet.

De stortvloed aan blogposts, of open brieven zoals men het nu noemt, is niet meer te tellen. Iedereen die maar enigszins meer dan 1000 (al dan niet aangekochte) twitter volgers heeft mag vanuit het met dauw besprenkelde gras van zijn/haar/x riante achtertuin een mening herkauwen van iemand anders, op de obligate aluminium laptop, met een eigentijdse “in” tint erbij. Wat zijn ze in. Heb ik dat al gezegd? Dat ze in zijn?
Je mag van mij stelen, ik doe dat ook,… maar wees dan zo fair om je oorspronkelijke heilige bron eens bekend te maken. Gun iemand anders ook eens iets, en wie weet, wordt men dan guller met, en vriendelijker over dat ‘sharen’.

Iemand die jou helpt rijk, bekend of geshared te worden, moet je iets teruggeven, iets laten mee profiteren.

Je kan ze niet meer tellen, de eigentijdse trendy, bijdehandse mensen die korte, overhypte stukjes schrijven die worden geshared door de media-in crowd. De mensen met linkedin-sektes achter zich, hordes klikkers en slikkers, content marketing slurpers, afgedankte journalisten met een olifantenvel of zonen en dochters van een of andere rijke industrieel die toch niets anders te doen hebben dan terend op een gouden parachute, in hun beschermde bubbel, het “te maken” in de media. De stukjes zijn meestal niets meer dan wat een schurend scharniertje voortbracht. De media op zich is niets meer dan een gigantische defecte kopieermachine zonder teller.

Schrijven is op zich al iets waarbij je normaal één van de vele, vele stemmen bent, daar moet je tegen kunnen. En da’s op zich ook niet erg, dat was al zo sinds er drukpersen voor het eerst gebruikt werden.

De hoop om in een boeken top-10 te staan heb ik nooit gehad, ik heb zelf nooit geschreven uit pure ‘ik ga het maken’ ambitie, ik schrijf in hoofdzaak om van mijn eigen spinsels en ideeën af te geraken, wat er daarna mee gebeurd is niet meer onder mijn controle, ik hou me daar ook niet mee bezig. 
Wat niet betekent dat mensen me niet mateloos kunnen irriteren wanneer ze ideeën lenen ter eigen gewin zonder meerwaarde, vooral wanner ze zich in kuddes begeven en hun eigen brein enkel nog dient om zo goed mogelijk in die kudde mee te kunnden stappen.

Jammer dat je soms een TLDR-stukje schrijft… waar een punt wordt gemaakt met de bewijzen en de achtergrond er bij, waar ik ook de nodige research in stak, en waar je dan NUL komma NUL reactie op krijgt… puur omdat je niet BIJ de sekte hoort. (men ruikt zulks al snel)

Enkele weken later wordt exact dezelfde inhoud uitgekotst door iemand die wèl in de in-crowd vertoeft (ik stel me iemand voor die naast een contentkonijn zit, met een zere kont van het veelvuldig op een te scherpe rand te moeten zitten van een houten pallet in een “trendy” koffiebar, of van iets anders… who knows). 
Deze keer echter, wordt het meteen door de cult-followers geshared, geliked, en gehyped… zelf hebben ze’t waarschijnlijk niet eens volledig gelezen (wie doet dat nu nog) en er wordt ook daar geen gevolg aan gegeven,… want het gaat ook niet om de inhoud. Het gaat om de ik-hoor-bij-jou gevoelens, de trefwoorden die in een niche vallen waar nog kliks te rapen zijn, en waar je eventueel nog wat centen kan rapen door welke brok tekst dan ook neer te planten. Het gaat om X die iets post en dus absoluut door netwerkende Y moet worden geshared. De leegloop van de opbrengst is dit, want hoe vaker je dat doet, hoe meer waardeloos je posts.

Wanneer zulke mensen een stuk schrijven dat kant nog wal raakt, met de juiste toon, geen punt maakt en nog gestolen blijkt van bijelkaargeharkte posts, dan nog sharen dezelfde 100 tot 2000 mensen het in hun cirkel. Hun scheten ruiken naar verluid ook naar de duurste soort Starbucks-koffie en rozemarijn, tenzij op feestdagen, dan stinken ze, net als de mijne.

Er zijn gelukkig nog een paar mensen (en ik ga ze hier niet vermelden uit respect) die wèl schrijven en een blog onderhouden die consistent inhoud en kwalitatief leesvoer oplevert, en die ook niet inwonen bij de contentkonijnen, die niet in de kliek worden uitgenodigd voor koffie en een gebakje, evenmin casual seks bezigen op een Twunch, maar die ongelofelijk waardevolle dingen schrijven. Hun subsidies zijn ze meestal al eeuwen kwijt, en nooit vinden ze sponsors buiten de liefdadigheid.

En daar krijgen ze ook nooit een referentie, pluim, of credits voor hun schrijfsels. Al zijn ze vaak terug te vinden, later in een aangepaste vorm, met een andere naam eronder, wanneer er weer eentje van de kliek zonder “content” zit… (wat nogal vaak gebeurt aan hun magere dievenmentaliteit en inteelt te zien).

Maar ik e-mail zulke mensen (ze gebruiken nog e-mail, whoohoo), bedank hen voor de inhoud en de moeite, en ik zeg hen dat ik het las. Helemaal. En dat het iets waard was. Helemaal.
En wanneer ik er iets van gebruik, in een eigen schrijfsel, antwoord of aanvulling ben ik zo fideel om hen credit te geven en de bron te vermelden.

Zònder dat ze mijn shit moeten lezen, met terugvolgen, liken, of trending maken. Dat hoeft helemaal niet. 
Ik hoef hen ook niet in mijn Facebook vriendenkring, of het traag vergif-netwerk van Linkedin,… hou het bij. 
Ik geef hen geen visitekaartje waarna ik een selfie neem met hun verkreukelde gezichten die verweerd zijn door in de meest gure weersomstandigheden naar hun onderbetaald werk te moeten fietsen terwijl ze eigenlijk voor hun schrijven al lang “binnen” hadden moeten zijn in een meer correcte maatschappij.
In schril contrast met de opgelapte mediaverschijnselen die niet eens zelf hun boeken schrijven en op de boekenbeursfeestjes lijnen coke moeten snuiven om zichzelf nog enigszins recht te houden. (You know who you are, you dirty s**t 😉

U hoeft het niet te lezen. Want men klikt alweer weg. Naar die hond die kunstjes kan of de zoveelste politieke zak die zichzelf in de kijker loopt in de hoop op shares, likes, stemmen en beroemdheid, of de zoveelste ‘hoe ik mijn kont lekker strak krijg’-blogpost van een of andere mediatroela.

Klik maar weg.

De inhoud maakt niet meer uit.

y

Written by kim

twitter.com/kim0raku